direct naar inhoud van Regels
Plan: Dennenoord Zuidlaren
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1730.BPDennenoord-0301

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan Dennenoord Zuidlaren met identificatienummer NL.IMRO.1730.BPDennenoord-0301 van de gemeente Tynaarlo;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aan huis verbonden beroep:

het beroepsmatig verlenen van administratieve, juridische, medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerptechnische diensten zoals in de bijlage 2 weergegeven lijst van aanvaardbare vormen van aan huis verbonden bedrijvigheid, dan wel een naar de aard daarmee gelijk te stellen beroepsmatige activiteit. De ruimtelijke uitstraling van het aan huis verbonden beroep dient in overeenstemming te zijn met de woonfunctie;

1.4 aan huis verbonden bedrijf:

het verrichten van werkzaamheden van dienstverlenende en/of ambachtelijke productieve aard zoals weergegeven in de lijst van aanvaardbare vormen van aan huis verbonden bedrijvigheid behorende bij deze regels (bijlage 2) , dan wel een naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsmatige activiteit. De ruimtelijke uitstraling van het aan huis verbonden bedrijf dient in overeenstemming te zijn met de woonfunctie;

1.5 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.6 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.7 aanduidingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarop een aanduiding betrekking heeft;

1.8 antenne:

Een antenne-installatie betreft het geheel van één of meerdere antennes, antennedrager, bedrading en apparatuur- of techniekkast met bijbehorende bevestigingsconstructie dat gebruikt wordt voor het verzenden en/of ontvangen van radiofrequente elektromagnetische velden.

1.9 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.10 bebouwingsgrens:

de op de kaart, blijkens de daarop voorkomende verklaring, als zodanig aangegeven lijn, die door gebouwen niet mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze regels zijn toegestaan;

1.11 beeldbepalend:

een te beschermen bouwwerk of object van vroege cultuur, bewoning of nijverheid, dat niet onder de Monumentenwet 1988 valt of als gemeentelijk monument is aangewezen en dat als zodanig op de verbeelding is aangegeven;

1.12 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon die een functionele binding heeft met het bedrijf. Van een functionele binding is sprake indien deze persoon:

  • een dienstverband van minimaal 18 uur per week bij het bedrijf heeft, of;
  • als er geen dienstverband is, zijn hoofdinkomen uit het bedrijf genereert;
1.13 begeleid wonen:

vorm van wonen voor verschillende doelgroepen zoals mensen met een verstandelijke beperking, (ex-)psychiatrische patiënten, ex-gedetineerden en ex-thuislozen, waarbij zij in een zelfstandige woning of verblijfsruimte met een aantal andere cliënten in een huis wonen en een aantal uur per dag of per week begeleiding en ondersteuning krijgen;

1.14 beschermd stads- of dorpsgezicht:

beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988;

1.15 bestaand (in relatie tot bebouwing):

bebouwing aanwezig ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan, danwel nadien krachtens een melding of omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, kan worden gebouwd;

1.16 bestaand (in relatie tot gebruik):

gebruik dat bestaat ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan;

1.17 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.18 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.19 bijgebouw:

een gebouw dat in bouwkundig en/of visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

1.20 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.21 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.22 bouwlaag:

een gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping.

1.23 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.24 bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.25 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.26 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.27 dagrecreatieve voorziening:

voorzieningen ten behoeve van activiteiten zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie in de vorm van bijvoorbeeld aanlegsteigers, ligweiden, strand, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken;

1.28 dienstverlenend bedrijf:

bedrijf waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

1.29 dobbe:

een natuurlijke of gegraven poel zonder aan- of afvoer;

1.30 erf:

de grond deel uitmakende van een bouwperceel, behorende bij één woning, waarop geen hoofdgebouw is of mag worden gebouwd krachtens de vigerende woonbestemming;

1.31 gebouw:

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.32 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

1.33 kap:

de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°;

1.34 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, (sociaal) medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.35 peil:
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de bouwhoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de bouwhoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
1.36 seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.37 tuin:

stuk grond, meestal bij een huis, waar bloemen, planten en bomen groeien;

1.38 woning:

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten;

1.39 Wro:

de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijden van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;

 

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.2 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.6 lessenaarsdak:

in afwijking van het bepaalde onder 2.1 en 2.3 bij een woning met een lessenaarsdak wordt het hoogste punt van het dak aangemerkt als bouwhoogte en het laagste punt van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel als goothoogte.

2.7 de oppervlakte van een overkapping:

tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.

Voorzover in de regels een goothoogte is voorgeschreven, is het bepaalde onder 2.3 niet van toepassing op dakkapellen en op dakvlakken die niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen.

 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. grasland en beweiding;
  • b. een dobbe;
  • c. een ooievaarspaal;
  • d. openbare nutsvoorzieningen;
  • e. behoud en bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle structuur.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mag een ooievaarspaal en één ander bouwwerk, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • b. de oppervlakte maximaal 15m² bedraagt.
  • c. de bouwhoogte van een ooievaarspaal maximaal 10 meter bedraagt.
3.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • het beschermde dorpsgezicht;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan:

  • de plaats, hoogte, oppervlakte en het materiaalgebruik van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 4 Bos

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de bescherming van de waardevolle bosbeplanting;
  • b. behoud en bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle structuur;
  • c. extensieve dagrecreatie zoals wandelpaden en zit- en speelplekken;
  • d. behoud en herstel van natuurwaarden;
  • e. een historische begraafplaats en mortuarium;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water;
  • h. verkeer- en verblijf;
  • i. openbare nutsvoorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van een mortuarium worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen een bouwvlak;
  • b. de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte .
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mag één bouwwerk, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • b. de oppervlakte maximaal 15m² bedraagt.
4.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • het beschermde dorpsgezicht;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de natuurwaarden;

nadere eisen stellen aan:

  • de plaats, hoogte, oppervlakte en het materiaalgebruik van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 5 Gemengd

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;
  • b. begeleid wonen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'wonen', tevens voor wonen met de daarbijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • d. ambachtelijke, nijverheids-, reparatie- en verhuurbedrijven;
  • e. dienstverlenende bedrijven;
  • f. huisvesting en verzorging;
  • g. verkeer- en verblijf;
  • h. openbare nutsvoorzieningen;
  • i. groenvoorzieningen en dagrecreatieve voorzieningen.

Aan huis verbonden beroepen bij woningen zijn toegestaan, voorzover wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • 1. de woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
  • 2. de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen zowel in het hoofdgebouw als in een al dan niet vrijstaand bijgebouw worden verricht;
  • 3. het beroep dient te worden uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • 4. het deel van de voor uitoefening van een aan huis verbonden beroep mag tot 30% van de met omgevingsvergunning gerealiseerde oppervlakte van het hoofd- en bijgebouw met een maximum van 45 m² bedragen, met dien verstande dat de aan huis verbonden activiteiten plaatsvinden in een afgebakend en/of helder begrensd deel van het hoofdgebouw- en/of bijgebouw;
  • 5. vanuit de woning mag geen detailhandel, horeca en groothandel plaats-vinden, ook mag geen prostitutie- of seksinrichting worden opgericht;
  • 6. er dient te worden geparkeerd op eigen terrein;
  • 7. het aanbrengen van reclame-uitingen van beperkte omvang in de tuin of aan het pand zijn slechts toegestaan indien deze niet hoger zijn dan 1 meter en geen grotere oppervlakte hebben dan 0,5 m². Lichtreclame is niet toegestaan;
  • 8. buitenopslag is niet toegestaan.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat:

  • a. gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen bouwvlakken;
  • b. gebouwd dient te worden in ten minste 2 en ten hoogste 3 bouwlagen al dan niet met kap;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)', de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan het aangegeven percentage;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-beeldbepalend' het bouwen beperkt is tot onderhoud, het gedeeltelijk vernieuwen en intern verbouwen van de bestaande gebouwen, met dien verstande dat de goothoogte, bouwhoogte, dakvorm, bouwmaterialen en de verhouding tussen de horizontale en verticale afmetingen van gevelopeningen van het bestaande gebouw in acht dient te worden genomen.
5.2.2 Woningen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen gelden de volgende regels:

  • a. woningen mogen uitsluitend gebouwd worden ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
  • b. de woningen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • c. per bouwvlak mag maximaal één woning worden gebouwd;
  • d. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande gebouw tot die perceelsgrens indien deze minder bedraagt;
  • e. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5 meter, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 meter, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • g. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt;
  • h. van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
  • i. uitbouwen dienen aan het hiervoor gestelde te voldoen, dan wel aan het gestelde onder 5.2.3;
  • j. van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
  • k. in afwijking van het voorgaande geldt voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend' dat uitsluitend de bestaande verschijningsvorm wat betreft goot- en bouwhoogte, dakhelling, dakvorm en plaatsing op het bouwperceel is toegestaan.
5.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een woning

Voor het bouwen van bijgebouwen en uitbouwen, voorzover deze niet voldoen aan het bepaalde onder 5.2.2 ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels:

  • a. er dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. er dient minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijgebouw tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw indien deze minder bedraagt;
  • c. er wordt op de perceelsgrens gebouwd of op minimaal 1 meter uit de perceelsgrens;
  • d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 meter en 6 meter, met dien verstande dat in geval van platte afdekking de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 70 m², met inachtneming van de regel dat niet meer dan 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is.
5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15 meter en op tuinen en erven niet meer dan 3 meter;

5.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • het beschermde dorpsgezicht;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan:

  • a. de plaats van gebouwen in die zin dat de naar de een bouwgrens gerichte gevel van een gebouw in de bouwgrens moet worden gebouwd;
  • b. de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van gebouwen in die zin dat deze binnen het 'beschermd dorpsgezicht' moeten passen binnen het cultuurhistorisch bebouwingsbeeld;
  • c. de bouwmaterialen en gevelindeling van gebouwen in die zin dat deze binnen het 'beschermd dorpsgezicht' moeten passen binnen het cultuurhistorisch bebouwingsbeeld;
  • d. de plaats, hoogte, oppervlakte en het materiaalgebruik van binnen het 'beschermd dorpsgezicht' gelegen bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • e. de situering van nieuw op te richten bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-beeldbepalend' ten einde te voorkomen dat de cultuurhistorische waarde van het gebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-beeldbepalend' onevenredig wordt aangetast.
5.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in lid 5.2.1 onder b, ten behoeve van het bouwen in één bouwlaag met kap, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. het beschermd dorpsgezicht;
    • 2. het bebouwingsbeeld.
  • b. het bepaalde in lid 5.2.1 onder e, ten behoeve van nieuwbouw, indien de instandhouding van de met 'specifieke bouwaanduiding-beeldbepalend' aangegeven panden redelijkerwijs niet mogelijk is, en mits:
    • 1. bij nieuwbouw aangesloten wordt bij het aantal bouwlagen en de kapvorm van het bestaande gebouw;
    • 2. door de toepassing van de bouwmaterialen en de gevelindeling van het nieuwe gebouw het cultuurhistorisch karakter van het beschermd dorpsgezicht ondersteunt.
5.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt verstaan:

  • a. detailhandel, zover deze niet is aan te merken als rechtstreeks voortvloeiend uit de activiteiten van het bedrijf en daaraan ondergeschikt is;
  • b. het gebruiken van vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van woonfuncties;
  • c. het wijzigen van het karakter van de groene ruimte.
5.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.5 onder c, voor het uitvoeren van werkzaamheden in verband met onderhoud en beheer.

5.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
5.7.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het slopen van gebouwen of delen daarvan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend ';
5.7.2 Uitzondering vergunningplicht

Het gestelde onder 5.7.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden, dan wel van ondergeschikte aard zijn of reeds in uitvoering zijn op het moment van het van kracht worden van het plan;

5.7.3 Beoordelingscriteria

De onder 5.7.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de sloop niet leidt tot een achteruitgang van de waarde van de karakteristieke cq. beeldbepalende bebouwing en er een garantie bestaat voor een goede herinvulling ter plaatse van de te slopen bebouwing. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend ' dient er garantie te zijn bij het afgeven van de vergunning dat de karakteristieke hoofdvorm, dan wel een passend alternatief binnen redelijke termijn zal worden herbouwd.

5.7.4 Afwegingskader

Het bevoegd gezag betrekt bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van de bouwregels of nadere eisen worden gesteld, dan wel een omgevingsvergunning voor de sloop van gebouwen, een advies van terzake deskundigen.

Artikel 6 Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding van de randbeplanting;
  • b. de bescherming van de waardevolle bosbeplanting;
  • c. openbare nutsvoorzieningen.
6.2 Bouwregels

Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • b. de oppervlakte maximaal 15m² bedraagt.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het rooien of kappen van bomen;
  • b. het verwijderen van karakteristieke randbeplanting.
6.3.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 6.3.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;

6.3.3 Beoordelingscriteria

Voor de onder 6.3.1 genoemde vergunning geldt dat de vergunning slechts kan worden verleend voor zover de karakteristieke randbeplanting niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 7 Maatschappelijk

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen waaronder onderzoek ten behoeve van onder meer het gebruik van medicijnen is begrepen;
  • b. begeleid wonen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'wonen', tevens voor wonen met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', tevens voor bedrijfswoningen met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • e. verkeer- en verblijf;
  • f. openbare nutsvoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen en dagrecreatieve voorzieningen;
  • h. huisvesting en verzorging;
  • i. fiets- en voetpaden;
  • j. de bescherming van de waardevolle bosbeplanting.

Aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven bij woningen zijn toegestaan, voorzover wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • 1. de woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
  • 2. de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep mogen zowel in het hoofdgebouw als in een al dan niet vrijstaand bijgebouw worden verricht;
  • 3. het beroep dient te worden uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • 4. het deel van de voor uitoefening van een aan huis verbonden beroep mag tot 30% van de met omgevingsvergunning gerealiseerde oppervlakte van het hoofd- en bijgebouw met een maximum van 45 m² bedragen, met dien verstande dat de aan huis verbonden activiteiten plaatsvinden in een afgebakend en/of helder begrensd deel van het hoofdgebouw- en/of bijgebouw;
  • 5. vanuit de woning mag geen detailhandel, horeca en groothandel plaats-vinden, ook mag geen prostitutie- of seksinrichting worden opgericht;
  • 6. er dient te worden geparkeerd op eigen terrein;
  • 7. het aanbrengen van reclame-uitingen van beperkte omvang in de tuin of aan het pand zijn slechts toegestaan indien deze niet hoger zijn dan 1 meter en geen grotere oppervlakte hebben dan 0,5 m². Lichtreclame is niet toegestaan;
  • 8. buitenopslag is niet toegestaan.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen een bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte niet meer dan 15 meter mag bedragen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan het aangegeven percentage. Indien geen percentage is aangegeven mag een bouwvlak tot 100% worden bebouwd;
  • d. gebouwd dient te worden in ten hoogste 3 bouwlagen met of zonder kap, waarbij per bouwvlak aangesloten dient te worden bij het aantal bouwlagen en de kapvorm van de voormalige of bestaande gebouwen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend' het bouwen beperkt is tot onderhoud, het gedeeltelijk vernieuwen en intern verbouwen van de bestaande gebouwen, met dien verstande dat de goothoogte, bouwhoogte, dakvorm, bouwmaterialen en de verhouding tussen de horizontale en verticale afmetingen van gevelopeningen van het bestaande gebouw in acht dient te worden genomen.
7.2.2 Woningen en bedrijfswoningen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen gelden de volgende regels:

  • a. woningen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak ter plaatse van de aanduing 'wonen'. Per bouwvlak is één woning toegestaan;
  • b. bedrijfswoningen mogen uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan;
  • c. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande gebouw tot die perceelsgrens indien deze minder bedraagt;
  • d. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5 meter, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • e. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 meter, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande gebouw, indien deze meer bedraagt;
  • f. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30°, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt;
  • g. van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
  • h. uitbouwen dienen aan het hiervoor gestelde te voldoen, dan wel aan het gestelde onder 7.2.3;
  • i. van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is;
  • j. in afwijking van het voorgaande geldt voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend' dat uitsluitend de bestaande verschijningsvorm wat betreft goot- en bouwhoogte, dakhelling, dakvorm en plaatsing op het bouwperceel is toegestaan.
7.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een woning of een bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijgebouwen en uitbouwen, voorzover deze niet voldoen aan het bepaalde onder 7.2.2 ten behoeve van wonen, gelden de volgende regels:

  • a. er dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. er dient minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd, dan wel niet minder dan de afstand van het bestaande bijgebouw tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw indien deze minder bedraagt;
  • c. er wordt op de perceelsgrens gebouwd of op minimaal 1 meter uit de perceelsgrens;
  • d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 meter en 6 meter, met dien verstande dat in geval van platte afdekking de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 80 m², met inachtneming van de regel dat niet meer dan 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd, dan wel niet meer dan het bestaande percentage indien dat meer is.
7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15 meter en op tuinen en erven niet meer dan 3 meter;
  • b. de oppervlakte maximaal 15m² bedraagt.
7.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • het beschermde dorpsgezicht;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan:

  • a. de plaats van gebouwen in die zin dat de naar een bouwgrens gerichte gevel van een gebouw in de bouwgrens moet worden gebouwd;
  • b. de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van gebouwen in die zin dat deze moeten passen binnen het cultuurhistorisch bebouwingsbeeld;
  • c. de bouwmaterialen en gevelindeling van gebouwen in die zin dat deze moeten passen binnen het cultuurhistorisch bebouwingsbeeld;
  • d. de plaats, hoogte, oppervlakte en het materiaalgebruik van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in lid 7.2.1onder e, ten behoeve van nieuwbouw, indien de instandhouding van de met 'specifieke bouwaanduiding-beeldbepalend' aangegeven panden redelijkerwijs niet mogelijk is, en mits:
    • 1. bij nieuwbouw aangesloten wordt bij het aantal bouwlagen en de kapvorm van het bestaande gebouw;
    • 2. door de toepassing van de bouwmaterialen en de gevelindeling van het nieuwe gebouw het cultuurhistorisch karakter van het beschermd dorpsgezicht ondersteunt.
7.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt verstaan:

  • a. het gebruiken van vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van woonfuncties;
  • b. het wijzigen van het karakter van de groene ruimte;
  • c. detailhandel, voor zover deze niet is aan te merken als rechtstreeks voortvloeiend uit de activiteiten van het bedrijf/ de organisatie en daaraan ondergechikt is.
7.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.5 onder b, voor het uitvoeren van werkzaamheden in verband met onderhoud en beheer.

7.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
7.7.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het rooien of kappen van bomen;
  • b. het verkleinen van vijvers;
  • c. het verwijderen van karakteristieke randbeplanting.
7.7.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 7.7.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;

7.7.3 Beoordelingscriteria

Voor de onder 7.7.1 genoemde vergunning geldt dat de vergunning slechts kan worden verleend voor zover de karakteristieke landschappelijke beeld niet onevenredig worden aangetast.

7.8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
7.8.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het slopen van gebouwen of delen daarvan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend ';
7.8.2 Uitzondering vergunningplicht

Het gestelde onder 7.8.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden, dan wel van ondergeschikte aard zijn of reeds in uitvoering zijn op het moment van het van kracht worden van het plan;

7.8.3 Beoordelingscriteria

De onder 7.8.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de sloop niet leidt tot een achteruitgang van de waarde van de karakteristieke bebouwing en er een garantie bestaat voor een goede herinvulling ter plaatse van de te slopen bebouwing. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend ' dient er garantie te zijn bij het afgeven van de vergunning dat de karakteristieke hoofdvorm, dan wel een passend alternatief binnen redelijke termijn zal worden herbouwd.

7.8.4 Voorwaarde

Het bevoegd gezag betrekt bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van de bouwregels of nadere eisen worden gesteld, dan wel een omgevingsvergunning voor de sloop van gebouwen, een advies van deskundigen.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen met een functie voor bestemmingsverkeer en doorgaand verkeer met maximaal twee rijstroken;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer;
  • d. openbare nutsvoorzieningen;
  • e. parkeer- en groenvoorzieningen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Gebouwen

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte anders van voor bouwwerken rechtstreeks ten dienste van geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, niet meer dan 3 meter bedraagt;
  • b. de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 15 meter.

Artikel 9 Waarde - Archeologie

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen

Voor het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m² en de bodemingrepen dieper gaan dan 0,30 meter onder het maaiveld moet de aanvrager een onderzoek overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft voldoende is vastgesteld;
  • b. als uit het in 9.2.1, onder a genoemde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd PvE ;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; en/of
  • c. het overleggen van een onderzoek is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, voldoende is vastgesteld. Het in 9.2.1, onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
9.2.2 Uitzondering bouwregels

Het bepaalde onder 9.2.1, onder a geldt niet als:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  • b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders, of;
  • c. gebouwen maximaal 2,50 meter uit de bestaande fundering worden vergroot.
9.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, als uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Vergunningplicht

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988 bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld waartoe worden gerekend diepploegen, mengwoelen, egaliseren van natuurlijk reliëf, ontginnen en het aanleggen of vergraven van sloten;
  • b. bodem verlagen of afgraven (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • c. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • d. het aanplanten van bomen of een houtig gewas voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 0,3 m onder het maaiveld zal worden geroerd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 9.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  • a. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld;
  • b. voor werken en werkzaamheden waarbij het totaal aan nieuwe bodemverstoringen niet groter is dan 100 m²;
  • c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • d. voor het uitvoeren van niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur (woelen) tot maximaal 0,40 meter onder het maaiveld;
  • e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • f. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning nodig is dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn;
  • g. voor werkzaamheden die plaatsvinden in relatie tot archeologisch onderzoek, uitgevoerd op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.
9.4.3 Beoordelingscriteria

Voor de onder 9.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  • a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, wat moet blijken uit een onderzoek dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in 9.4.1 moet overleggen. In het onderzoek moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende zijn vastgesteld. Als het onderzoek daarvoor aanleiding geeft, moet op advies van de erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaatsvinden;
  • b. het overleggen van een onderzoek is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.
9.4.4 Voorwaarden aan een omgevingsvergunning

Overeenkomstig het in artikel 2.22, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.

Artikel 10 Waarde - Archeologische verwachting

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Algemeen

Voor het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1.000 m² en de bodemingrepen dieper gaan dan 0,3 meter onder het maaiveld moet de aanvrager een onderzoek overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft voldoende is vastgesteld;
  • b. als uit het in 10.2.1, onder a genoemde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd PvE; of
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; en/of
    • 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  • c. het overleggen van een onderzoek is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, voldoende is vastgesteld. Het in 10.2.1, onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
10.2.2 Uitzondering bouwregels

Het bepaalde onder 10.2.1, onder a geldt niet als:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  • b. gebouwen maximaal 2,50 meter uit de bestaande fundering worden vergroot.

10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, als uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1 Vergunningplicht

Onverminderd het in de Monumentenwet 1988 bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m², waartoe worden gerekend diepploegen, mengwoelen, egaliseren van natuurlijk reliëf, ontginnen, aanleggen of vergraven van sloten, het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd;
  • b. bodem verlagen of afgraven (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • c. het aanplanten van bomen of een houtig gewas voor zover het gaat om planten waar bij de oogst van de plant dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld leggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 10.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  • a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. het aanleggen van kabels en leidingen in sleuven van maximaal 0,50 meter breed en 0,60 meter onder maaiveld;
  • c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,50 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. voor het uitvoeren van niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur (woelen) tot maximaal 0,40 meter onder het maaiveld;
  • f. het aanbrengen van drainage;
  • g. ingeval op grond van de Monumentenwet 1988 een vergunning nodig is dan wel overige bepalingen van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn;
  • h. voor werkzaamheden die plaatsvinden in relatie tot archeologisch onderzoek, uitgevoerd op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.
10.4.3 Beoordelingscriteria

Voor de onder 10.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  • a. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, wat moet blijken uit een onderzoek dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 moet overleggen. In het onderzoek moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende zijn vastgesteld. Als het onderzoek daarvoor aanleiding geeft, moet op advies van de erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaatsvinden;
  • b. het overleggen van een onderzoek is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.
10.4.4 Voorwaarden aan een omgevingsvergunning

Overeenkomstig het in artikel 2.22, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalde kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.

Artikel 11 Waarde - Beschermd dorpsgezicht

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. het behoud, herstel en de uitbouw van de in de toelichting en het daarin opgenomen aanwijzingsbesluit aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing;
  • b. de architectonische waarden van de afzonderlijke gebouwen;
  • c. de historisch bepaalde rangschikking en samenhang van de gebouwen, waaronder mede begrepen bestaande open ruimtes tussen de gebouwen;
  • d. de landschappelijke inpassing van de gebouwen.

Het terrein van de instelling Dennenoord waarin de bebouwing is opgenomen, beslaat ongeveer 100 hectare. De parkachtige aanleg rond de oudste kern bepaalt de ruimtelijke hoofdstructuur. Deze bestaat uit groenpartijen in een landschappelijke opzet met monumentale solitairen, vijverpartijen en (herten)weides, waarmee colissen met doorkijken zijn gecreëerd. In deze landschappelijke opzet zijn in onderling los verband de verschillende gebouwen en paviljoenen opgenomen. Het groene karakter sluit goed aan bij de bijzondere esdorpstructuur van Zuidlaren.

De campusgedachte, gebaseerd op losstaande paviljoenen in een parkachtige omgeving, is goed bewaard gebleven. Deze ruimtelijke kwaliteit is eveneens een kenmerk van de verpleegkundige uitgangspunten van Dennenoord. Als zodanig is Dennenoord een exemplarisch en goed herkenbaar voorbeeld van een kenmerkende cultuur- en sociaal historische ontwikkeling in de jongere Nederlandse stedenbouw en bouwkunst.

11.2 Bouwregels

Er mag uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig c.q. aansluitend aan de ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan bestaande stedenbouwkundig beeld, voor zover betrekking hebbend op:

  • a. voorgevels;
  • b. goot- en bouwhoogte van de gebouwen;
  • c. de breedte en de indeling van de voorgevel van de gebouwen;
  • d. de dakvorm, dakhelling en nokrichting van de gebouwen;
  • e. de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
11.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan situering, afmetingen en kapvormen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. de instandhouding en herstel van het stedenbouwkundig beeld;
  • b. de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving van de bebouwing;
  • c. de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden;

Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op het behoud van de waarden van het beschermd dorpsgezicht.

11.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

Bij de beslissing door burgemeester en wethouders omtrent de verlening van een sloopvergunning op grond van artikel 37 van de Monumentenwet 1988 wordt het toetsingscriterium in acht genomen dat door het slopen, dan wel door de hiervan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de karakteristiek van Dennenoord niet onevenredig wordt aangetast in verhouding tot de mate waarin andere belangen met het slopen worden gediend.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

Onder een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of gebouwen ten behoeve van een seksinrichting.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 Geluidzone - weg
14.1.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - weg' mogen in afwijking van hoofdstuk 2 geen nieuwe woningen worden gebouwd, geluidgevoelige ruimten worden ingericht of gronden in gebruik worden genomen waardoor die aangemerkt kunnen worden als geluidsgevoelig, tenzij:

    • 1. de geluidsgevoelige ruimten in de woningen of andere geluidsgevoelig objecten zodanig worden vernieuwd, veranderd of vergroot dat daarbij de afstand tot de weg niet wordt verkleind;
    • 2. zodanig dat de geluidsbelasting vanwege wegverkeer op de gevels van de woning of de geluidsgevoelige ruimte niet hoger zal zijn dan geldende voorkeursgrenswaarde of;
    • 3. zodanig dat de geluidsbelasting vanwege wegverkeer op de woning of de geluidsgevoelige ruimte niet hoger zal zijn dan een vastgestelde hogere grenswaarde.
14.1.2 Afwijken

Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 14.1.1 sub ten behoeve de bouw of uitbreiding van een woning of ander geluidsgevoelig object, met inachtneming van het volgende:

  • de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten vanwege het wegverkeerslawaai zal niet hoger zijn dan de voorkeurswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

  • a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:
    • 1. de bij recht in de regels en op de verbeelding gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
    • 2. het bepaalde in het plan voor het bouwen van antenne(s) / -installaties, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 25 meter mag bedragen;
    • 3. het bepaalde in het plan en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve het openbaar vervoer, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits:
      • de inhoud per gebouwtje niet meer dan 100 m3 bedraagt;
      • de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 15 meter bedraagt.
  • b. de onder a. bedoelde omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van:
    • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • b. het beschermd dorpsgezicht;
    • c. het bebouwingsbeeld, en;
    • d. de verkeersveiligheid.

Artikel 16 Algemene wijzigingsregels

  • a. Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen in die zin dat:
    • 1. een transformatorstation, gasdrukmeet- en regelstation, rioolgemaal en naar de aard daarmee gelijk te stellen en bouwwerken van openbaar nut mogen worden gebouwd tot een maximum inhoud van 400 m3 en een maximum bouwhoogte van 4 meter;
    • 2. binnen de bestemming Gemengd gebouwd mag worden ten behoeve van:
      • uitbreiding van het aantal woningen, uitsluitend in de vorm van begeleid wonen;
      • kantoren, uitsluitend ten behoeve van de in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Gemengd genoemde instellingen en bedrijven;
      • sportaccommodatie;
    • 3. de beperking van de vestiging van bedrijven in relatie met educatie en/of therapie vervalt, uitsluitend indien de behoefte aan educatie en/of therapie een onvoldoende basis vormt voor een doelmatige uitoefening van het betreffende bedrijf;
    • 4. binnen de bouwvlakken van de bestemming Maatschappelijk gebouwd mag worden ten behoeve van uitbreiding en/of nieuwbouw;
    • 5. de in de bestemming Maatschappelijk begrepen doeleinden mogen worden uitgebreid, met dienstverlenende bedrijven, wonen, pension en hotel, uitsluitend ten behoeve van de instandhouding van monumentale en beeldbepalende panden.

  • b. de onder a. bedoelde wijziging mag uitsluitend gebruikt worden indien:
    • 1. de wijziging niet leidt tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzenden gronden;
    • 2. de nieuwbouw past binnen de waardevolle ruimtelijke structuur;
    • 3. de voor de betreffende bestemming geldende bebouwingsbepalingen van toepassing blijven.

  • c. de onder a. bedoelde wijziging wordt niet verleend binnen de gronden aangeduid als 'Geluidzone - weg' voor de realisering van woningen en gebouwen als bedoeld in artikel 4 van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en terreinen als bedoeld in artikel 7 van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen.

  • d. op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Artikel 17 Overige regels

17.1 Afstemming Algemene Plaatselijke Verordening

Het bestemmingsplan verzet zich niet tegen het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening waarvoor op basis van deze verordening een evenementenvergunning kan worden verleend.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
18.2 Afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 18.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 18.1 met maximaal 10%.

18.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 18.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.4 Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 18.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 18.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 18.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 19 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Dennenoord Zuidlaren.